Historiek

Is het Vlaams & Neutraal Ziekenfonds een nieuw ziekenfonds? Absoluut niet. Al in 1808 –ten tijde van Napoleon en vóór het Nederlandse rijk van Willem I- ontstond immers in Lier het allereerste ziekenfonds, nl. ‘Sint-Franciscus-Bijstand’. Samen met de gilden van de kleermakers en de voerlieden vormden zij in 1916 de ‘Gewestelijke Tak Lier van het Algemeen Verbond der Vlaamsche Mutualistische Verenigingen van België’.

Dit is de officiële stichting van het Vlaams & Neutraal Ziekenfonds. In 2016 vierden we dus onze 100ste verjaardag!

Ook de Neutrale landsbond is de oudste van het land en ontstond al in 1886, lang voor de andere bekende verzekeringsinstellingen. Wanneer de sociale zekerheid na de tweede wereldoorlog stilaan wettelijk vorm kreeg en de ziekte- en invaliditeitsverzekering in 1964 voor iedereen verplicht werd, ontstonden ook de kas van het Boerenfront en in de jaren ’70 tal van Vlaamsgezinde kassen, waarvan er een aantal, zoals Ic Dien en Vlamat, zich in 1990 verenigden tot het toenmalige ‘Verbond van Vlaamse Ziekenfondsen’ in Mechelen.

De twee Vlaamse Neutrale Ziekenfondsen uit Mechelen en Lier vonden elkaar in 2006 en zo zag het huidige ‘Vlaams & Neutraal Ziekenfonds’ het levenslicht. Op dat moment telden we zo’n 47.000 titularissen of 70.000 verzekerde mensen. Intussen is dit aantal midden 2018 opgelopen tot meer dan 79.000 titularissen of 114.000 verzekerden. Een netto groei van gemiddeld meer dan 5 % per jaar!

Door deze jarenlange traditie, sterke sociale reputatie en ondubbelzinnige missie heeft ons ziekenfonds zich een unieke plaats in het ziekenfondslandschap weten te veroveren.

In onze landsbond zijn er momenteel 4 Waalse, 1 Brussels en 2 Vlaamse ziekenfondsen actief, waarvan één met zetel in Aalst en ons ziekenfonds met hoofdzetel in Mechelen.

Korte geschiedenis over de ziekenfondsen

 

De eerste kiemen van wat we vandaag een ziekenfonds noemen, zijn terug te vinden in de middeleeuwen. In de steden verenigden vrije burgers die hetzelfde beroep uitoefenden zich in gilden. Die gilden stonden in voor de beroepsverdediging, maar voerden ook een vorm van solidariteit in tussen de leden in geval van ziekte van één van de andere gildebroeders. Hoewel hier duidelijk een vorm van ‘ziekteverzekering’ wordt aangeboden, is het op ziekenfondsen zoals wij die vandaag kennen, nog enkele eeuwen wachten. Daarvoor moeten we teruggaan naar het begin van de negentiende eeuw.

Bij het begin van de 19de eeuw ontstaan op verschillende plaatsen primaire kassen en maatschappijen van onderlinge bijstand. Op dit scharniermoment tussen het ancien regime en de moderne tijd, is er nog geen sprake van overheidstussenkomst bij ziekte. De industrialisering van West-Europa die in de eerste helft van deze eeuw op gang komt, wordt gekenmerkt door verregaand liberalisme.

Eén van de eerste, zo niet de eerste primaire kas die op dat moment in Vlaanderen ontstaat, is Sint-Franciscus Bijstand, thans onderdeel van het Vlaams & Neutraal Ziekenfonds. Al in 1808 verenigden de kleermakers van Lier zich in deze ‘embryonale ziekenkas’. Volgens de overlevering kwam de vereniging op regelmatige tijdstippen samen en werd er na de vergadering met de kaarten gespeeld. De winst werd in een speciale pot gestoken, die aangesproken kon worden wanneer een lid ziek werd. De eerste primaire kassen waren, zoals de middeleeuwse gilden, in hoofdzaak georganiseerd rond bepaalde beroepsgroepen: kleermakers, ‘voerlieden’, enz. Basisideeën van deze primaire kassen of kassen van onderlinge bijstand waren solidariteit en het ontbreken van een winstoogmerk.

Een belangrijke datum in de ziekenfondsgeschiedenis is 3 april 1851. Die dag keurt het parlement een wet goed die de regering de mogelijkheid biedt om maatschappijen voor onderlinge bijstand of ziekenfondsen te erkennen. De bijstandskassen konden voortaan een rechtspersoonlijkheid genieten en kregen toestemming om bepaalde risico’s te dekken: ziekte, ongeval en invaliditeit. Omwille van de beperkingen die de overheid oplegde en omdat diezelfde overheid een grote mate van achterdocht had tegenover de corporatistische bijstandskassen, vroeg slechts een beperkt aantal kassen een erkenning aan. Was de eerste helft van de negentiende eeuw gekenmerkt door primaire kassen gericht op één beroepsgroep, dan ontstonden er in de tweede helft van die eeuw steeds meer interprofessionele ziekenfondsen. De ziekenfondsen zijn op dat moment nog steeds erg lokaal actief en hebben een gering aantal leden. Een officieel overheidsrapport spreekt van gemiddeld 150 leden per ziekenfonds. Van een professionele structuur is uiteraard ook geen sprake. Bijvoorbeeld de bijdragen die leden afdragen, worden als het ware met de natte vinger bepaald.

Een tweede belangrijke datum voor de verdere groei van de ziekenfondsen is 23 juni 1894: de die dag goedgekeurde wet wijzigde in belangrijke mate de wet uit 1851. Voortaan konden ziekenfondsen zich in een verbond verenigen. Dat was nodig omdat in de jaren daarvoor (jaren tachtig van de negentiende eeuw) in heel het land ziekenfondsen als paddenstoelen uit de grond schoten: christelijke, socialistische en neutrale. De nieuwe wet, die overigens bijna een eeuw lang het kader zou vormen voor de werking van de ziekenfondsen, verruimde de actieradius van de ziekenfondsen en landsbonden. Door de schaalvergroting (in verbonden) konden de ziekenfondsen meer diensten aanbieden en efficiënter gaan werken. Vier jaar na deze wet, stemden de politici een bijkomende wet (19 maart 1898) die het de overheid mogelijk maakt om erkende ziekenfondsen te subsidiëren. Deze maatregel voerde de overheid niet enkel in om meer controle te hebben op de ziekenfondsen, maar ook om de ziekenfondsen aan te zetten er een degelijke boekhouding op na te houden. De maatregel leidde alvast tot een verdere explosie van het aantal ziekenfondsen.

Toen in 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, telde België naar schatting zo’n vierduizend ziekenfondsen met in totaal ongeveer een half miljoen leden. De Eerste Wereldoorlog betekende een moeilijke periode voor de ziekenfondsen, die hun normale activiteiten amper konden voortzetten. Op 10 april 1916 wordt niettemin de kiem van het huidige Vlaams & Neutraal Ziekenfonds gelegd te Lier met de stichting van de ‘Gewestelijke Tak Lier van het Algemeen Verbond der Vlaamsche Mutualistische Verenigingen van België’.
Na de Eerste Wereldoorlog kenden de ziekenfondsen een nieuwe periode van groei. Hoewel het nog steeds niet verplicht was om erbij aangesloten te zijn, zetten steeds meer landgenoten tijdens het Interbellum toch die stap.

Toen de Tweede Wereldoorlog voor de deur stond, telden de ziekenfondsen samen bijna 1,3 miljoen leden, goed voor meer dan 3,1 miljoen verzekerden. Het succes van de ziekenfondsen werd mee in de hand gewerkt door de combinatie van het samengaan in verbonden (professionele ondersteuning) en het blijven bestaan van kleine, lokale primaire kassen (persoonlijke aanpak en contact met de leden).

Aantal leden aangesloten bij de verschillende landsbonden (1936):

Landsbond Leden Rechthebbenden
Socialistische 549.307 1.196.205
Christelijke 393.545 1.147.214
Liberale 85.313 216.460
Neutrale 160.469 271.480
Professionele 93.616 215.000
Vlaams-Nationale* 14.491 63.009
Totaal 1.296.741 3.109.368

(*) De Vlaams-Nationale landsbond zal later opgaan in de Neutrale en Professionele koepel.

In tegenstelling tot de Eerste Wereldoorlog veroorzaakte de Tweede Wereldoorlog geen breuk in de werking van de ziekenfondsen. De Duitse bezetter poogde een verplichte ziekteverzekering in te voeren, maar slaagde daar niet in. Naar het voorbeeld van de eenheidsvakbond streefde de Duitse bezetter eveneens naar een eenheidsziekenfonds. Maar ook daar slaagde men niet in.

Meteen na de bevrijding van België, in september 1944, wordt een nieuwe belangrijke stap gezet in de geschiedenis van de ziekenfondsen. Op 29 september wordt de Rijksdienst voor Maatschappelijke Zekerheid opgericht. De mosterd voor dit plan haalde de Belgische regering in het Verenigd Koninkrijk. Aan de andere kant van het Kanaal voorzag het zogenaamde Beveridge-plan in de verplichting om een aantal verzekeringen te nemen. Dat werd overgenomen door de Belgische regering. De besluitwet van 18 december 1944 voerde vanaf 1 januari 1945 een stelsel van verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering in voor werknemers en loontrekkenden. Met deze wet wordt ook de Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering opgericht voor mensen die niet bij één van de bestaande ziekenfondsen wensten aan te sluiten. De sociale zekerheid is geboren. Dat alles zo snel kon ingevoerd worden, had alles te maken met de voorbereidende gesprekken die de regering in ballingschap in Londen hierover tijdens de oorlogsjaren voerde met de werkgevers.

De regering onder leiding van Theo Lefèvre, met Edmond Leburton als minister van Sociale Voorzorg, zorgt met de wet van 9 augustus 1963 voor een ingrijpende hervorming van het stelsel van ziekte- en invaliditeitsverzekering, met als meest in het oogspringende maatregel de oprichting van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering (Riziv). In de nasleep van de hervorming werd de verzekering voor geneeskundige verzorging onder meer uitgebreid tot zelfstandigen, zij het enkel voor grote risico’s (1964), ambtenaren (1965), studenten in het hoger onderwijs (1969) en leden van de geestelijkheid en kloostergemeenschappen (1969). Vanaf 1969 wordt de hele bevolking gedekt door een verruiming tot de ‘nog niet beschermde personen’. Dat dit niet allemaal van een leien dakje liep, bewijst de grote artsenstaking onder leiding van dr. André Wynen in april 1964.

Deze hervorming zorgde niet voor een afname van het aantal primaire kassen. Dat bleef op ongeveer vierduizend liggen, waaronder een 20-tal uitgesproken Vlaamsgezinde kassen, zoals West-Flandria Kortrijk, Ic Dien Mechelen, Vlamat enzovoort.

Daar komt pas een einde aan met de zogenaamde Wet Busquin van 6 augustus 1990 ‘betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen’. Deze wet richt onder meer de Controledienst voor de Ziekenfondsen op en bepaalt voortaan minimumaantallen. Tot 1990 werden primaire kassen als ziekenfonds beschouwd, vanaf 1990 wordt een verbond als ziekenfonds gezien. De facto betekende dat de afschaffing van de primaire kassen en bleven er nog zo’n honderd ziekenfondsen over. Vandaag zijn dat er nog 52, waarvan 23 in zowel Vlaanderen als Wallonië en zes in Brussel. Negentien ziekenfondsen zijn aangesloten bij de Christelijke Mutualiteiten, elf bij de Socialistische, tien bij de Liberale, en zeven bij de Neutrale en vijf bij de Onafhankelijke Ziekenfondsen.

Aantal leden aangesloten bij de verschillende landsbonden (december 2017):

Landsbond Rechthebbende leden
Landsbond der Christelijke Mutualiteiten 4.597.650
Landsbond van Neutrale Ziekenfondsen* 536.652
Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten 3.187.006
Landsbond van Liberale Mutualiteiten 549.664
Landsbond van Onafhankelijke Ziekenfondsen 2.149.961
Hulpkas voor Ziekte- en Invaliditeitsverzekering 101.511
Kas van de NMBS 104.582
Totaal 11.227.026

(*) Het Vlaams & Neutraal Ziekenfonds maakt hiervan deel uit met 113.479 rechthebbende leden, of 21,1 %.